Graantelers moeten alert zijn op Sneeuwschimmel in wintertarwe. De schimmelziekte, die nog wel eens wordt verward met Septoria, kan alle delen van de plant aantasten. Sneeuwschimmel komt voor in tarwe en gerst, maar ook in triticale en rogge. Goede rassenkeuze, toepassen van de juiste fungiciden, goede zaadontsmetting en het onderwerken van oogstresten helpen om de ziekte op het veld tegen te gaan.

Sneeuwschimmel

Sneeuwschimmel wordt vaak ontdekt als de tarweplant na de winter onder de sneeuw vandaan komt. De ziekte is te herkennen aan een roze schimmelpluis en kan flinke wegval van planten veroorzaken. In de praktijk komen de laatste jaren ook meer en meer symptomen voor later in het seizoen. Dofgrijze vlekken op de stengel en waterige vlekken op het blad, die later bruin verkleuren. Daarnaast maakt sneeuwschimmel ook onderdeel uit van het ‘schimmel-complex’ wat aarfusarium kan veroorzaken.

Opvallend aan deze alom aanwezige groep van schimmels is dat we er vrij weinig van weten. Volgens dr. Michael Hess, plantenziektekundige aan de Universiteit van München, is de hedendaagse sneeuwschimmel een complex van twee soorten schimmels: Microdochium nivale en Microdochium majus, die samen schade aan de graanplant kunnen veroorzaken. Onderzoek naar de schimmelziekte is belangrijk, omdat de ziekte volgens Hess in de laatste jaren meer lijkt voor te komen. „Sneeuwschimmel is een zeer complexe ziekte waar veel factoren op van invloed zijn. Wat wel duidelijk is, is dat hij profiteert van natte en koele periodes in de zomer”, legt hij uit.

Ziekteverwekkers
De schimmelziekte duikt steeds vaker op. Of dat daadwerkelijk ook een probleem is hangt volgens Hess vooral af van het feit of andere ziekten goed bestreden worden. Microdochium nivale en Microdochium majus zijn tamelijk zwakke pathogenen, die meestal worden overheerst door grotere ziekteverwekkers als Septoria en Fusarium in tarwe, Rhynchosporium in gerst en rogge en Ramularia in gerst. Als deze ziekteverwekkers worden behandeld, kunnen de Microdochium- soorten gemakkelijker de kop op steken, zeker als de behandeling onvoldoende werkt tegen sneeuwschimmel. Een teler kan door het inzetten van gewasbescherming voor andere schimmels ook sneeuwschimmel aanpakken, maar die behandelingen zijn vaak niet effectief genoeg voor een optimaal resultaat, aldus de Duitse plantenziektekundige. „Het blijkt dat veel groepen middelen weinig tot geen effect hebben op sneeuwschimmel. Positieve uitzonderingen zijn prochloraz en prothioconazool, maar zelfs daarvan zijn de bestrijdingspercentages lager dan je zou willen. Bovendien is timing een aandachtspunt. Sneeuwschimmel profiteert ook van het verlies aan effectiviteit van sommige middelen (bijvoorbeeld triazolen).  Omdat de bestrijdingsstrategie niet gericht is op sneeuwschimmel lijkt het erop dat dit een van de eerste pathogenen is die zich aanpast en hierdoor sneller opduikt.

De studies van Michael Hess zijn gericht op de situatie met sneeuwschimmel in Duitsland. Volgens Hess zijn er wel een aantal publicaties uit vooral Noord-Europese landen bekend, maar die zijn meer gericht op zaken als gewasopkomst en vorsttolerantie van rassen. Microdochium wordt slechts in de zijlijn genoemd. Er is geen monitoring met vergelijkbare methoden en gestandaardiseerde diagnostiek uitgevoerd voor vergelijkbare resultaten, aldus Hess. „Maar ik weet van collega's uit andere landen, met name Groot-Brittannië, Denemarken, Tsjechië en Frankrijk, dat zij de ziekte regelmatig tegenkomen en steeds meer aandacht voor het onderwerp hebben.”

Bewustwording
Hoewel de eerste schade van sneeuwschimmel zich al in de herfst kan openbaren, komen de meeste symptomen vaak pas in het voorjaar naar boven. Volgens teeltspecialist Jacob Swart van Agrifirm Plant wordt de schimmel niet altijd als zodanig herkend. Daarom is het juist zo belangrijk dat telers zich van de ziekte bewust worden, stelt hij. „We hebben jaren gehad dat sneeuwschimmel 500 tot 1500 kilo opbrengstderving per hectare veroorzaakte. In 2015 was een groot deel van het areaal aangetast. Dat kost de graanteler productie.”

Volgens Swart zijn er diverse preventieve maatregelen tegen de schimmelziekte te nemen, zoals het goed onderwerken van oogstresten (ploegen). Sneeuwschimmel kan  overleven op stoppelresten. Ook kan de schimmel in een intensief bouwplan met veel tarwe meer voorkomen. Andere preventieve maatregelen zijn het gebruik van goed ontsmet zaaizaad en tijdige stikstofbemesting in het voorjaar. Graanfungiciden als strobilurines en carboxamiden zijn niet effectief genoeg om de schimmel aan te pakken. Sommige triazolen en prochloraz werken wel, maar deze fungiciden geven een reductie van ongeveer 50 procent op de aantasting.

Stapeling van bespuitingen
Swart: „We hebben wel het idee dat je met vier bespuitingen met fungiciden verder komt dan met twee bespuitingen, maar het is op een gegeven moment ook een kosten-baten plaatje. We weten dat een stapeling van bespuitingen meer effect heeft, maar het is dus de vraag of die laatste bespuiting het geld waard is.”

Volgens Swart is mogelijk ook met de timing van het spuiten resultaat te bereiken. „De timing met de huidige middelen is goed, maar je kunt je afvragen of de intervallen niet te groot zijn. Sneeuwschimmel treedt vaak op als de laatste bespuitingen er al op liggen. Ook daar is mogelijk winst te behalen.”

Uitdagingen
Volgens Michael Hess is Microdochium in vroegere studies beschreven, maar incidenteel en meestal met een andere focus. Als gevolg daarvan is er weinig bekend om de huidige uitdagingen tegen de ziekte aan te gaan, zegt hij. „We proberen vooral de epidemiologie te begrijpen en onderscheid te maken tussen Microdochium nivale en Microdochium majus. We willen vooral kennis vergaren over de levenscyclus, met een focus op bladvlekkenziekte, fungicidegevoeligheid, gastheervoorkeur en rassenresistentie. We proberen de mogelijkheden voor ziektebeheersing vast te stellen en te optimaliseren en inzicht te krijgen in de impact van de schimmel op de opbrengst.” 

SneeuwschimmelSneeuwschimmel
Microdochium nivale en Microdochium majus maken deel uit van een ‘schimmel-complex’ wat zorgt voor plantwegval bij opkomst (roze schimmelpluis), bladaantastingen en vorming van aarfusarium. De precieze relatie tussen deze 3 aantastingsmomenten en het belang van elk moment voor de levenscyclus is onduidelijk. Op alle graanpercelen kun je Microdochium-soorten tegenkomen. Afhankelijk van de omstandigheden kan het in meer of mindere mate schade doen aan het gewas. Sneeuwschimmel heeft een duidelijk kortere latente periode (= tijd tussen infectie en zichtbaar worden van symptomen) dan Septoria. Sneeuwschimmel op het blad begint als waterige vlek, verkleurt later bruin en is ovaal van vorm, met veelal een gele rand op het blad. De bruine vlekken kunnen zich snel uitbreiden over de hele breedte van het blad. Bladeren vertonen dan een kenmerkende ‘knik’.

Bladaantasting lijkt meer voor te komen op laat-afrijpende rassen en in 2015 en 2016 was Microdochium majus de dominante ziekte-aantaster. Een vroege fungicide-behandeling met prochloraz lijkt de beste effecten te geven (T0 – T1). Het onderzoek wordt ook in 2017 voortgezet.

 

Blijf up to date en schrijf je in voor onze nieuws updates!